Slappe koffie
Plaatje: duif

De zon schijnt en ik geloof er in, het kan, alles kan. De zon schijnt, de wind is gaan liggen en toch komen we ergens, we lopen gewoon. Het is voorjaar, het is warmer en het kan, ik weet dat het kan. Ik geloof, het moet kunnen.
Ik denk dan: als ik jouw hand vast houd, moet het kunnen. Als we samen springen, vallen we samen, landen we samen, moet het kunnen.
Ik plak een pleister op jouw knie, veeg het grint van mijn palmen. Jij loopt alvast naar huis, kneed deeg, zeeft tomaten, zucht. Je vindt het niets.

Er is een tuin. Het is niet de onze, maar we zijn er wel alleen. Samen.
De zon is warm, de bijen zoemen, de hitte hangt in dikke lagen tussen het gras. Het gras is ongemaaid.
Hier kunnen we dingen maken, vinden wat we zochten, dat waar we nog niet aan dachten maar wel naar verlangden. Het ligt hier. Als we maar wroeten, wieden, lange plantenarmen in banen leiden en plukken.
Dit is al gedaan, zeg je. Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd en kijk je vragend aan. Dit is al gedaan, zeg je nog een keer. Je ziet dat ik het niet begrijp en met een zucht loop je weg.

Je tilt me van de grond, veegt de bladeren van me af en zet me onder de douche. Maak je maar schoon, zeg je.
Als de eerste druppels buiten vallen, is het goed. We zijn binnen, we hebben thee en zelfs een beetje rum. De kachel mag nog niet aan, want we houden onszelf wel warm. We gaan iets maken.
Ik geef je een groot vel wit papier en terwijl je bezig bent kijk ik. Vogels klinken buiten, je hoort ze niet, een beetje zon schijnt op je rug, je voelt het niet. Het wordt, het is bijna, je maakt een en dan ben je klaar.
Je wilt het niet. Ik kan je niet zeggen dat het goed is. Je maakt schoon, de keuken, de vloer in de huiskamer, de ramen, ook al regent het.
Dus ik maak wat jij maakt, ik maak je na, ik maak jouw spiegel en houd hem op. Lieverd, zeg je, glimlacht naar me. Dat was het. Ik ruim ze beide op, jouw papier en het mijne. Samen in een mapje.

En dan is het winter weer. Ik maak mezelf na voor jou en als ik het niet meer weet zeg je dat je er in gelooft, dat we het kunnen en ook dat dit is hoe het gaat.
Ik pak je hand, trek aan je arm en zonder iets te zeggen, stort ik ons naar beneden. Ik geloof, het moet kunnen.

 

 

 

 

 

 

‘Het is klaar’ zeg je.
‘Goed.’ Zeg ik. Ik kijk niet op.

Het stille is stiller en ik draai me om.
Daar zit je, zoals je daar altijd zit.
Op de bank, omlijst door de voorjaarszon.
Je huilt.

Pleisters heb ik alleen voor wonden.
Brood en soep heb ik.
Later heb ik wijn.
Mijn eindeloze liefde schuurt
langs de randen van mijn ingewanden.

We kijken naar buiten, het balkon.
Een dikke hommel zoemt langs het raam.
De vleugels kunnen net het zware winterlichaam dragen.
Gooi ons maar, denk ik.
Over de rand, naar de achterkant van de tralies.

En daar zitten we. Samen.
Je glimlacht.
Bijna proef ik waarheen we zullen gaan.

[16 april 2010]